Kort geding
§1: In burgerlijke zaken
In burgerlijke zaken is er buiten de gewone gerechtelijke procedure ook een snelle vorm van rechtspleging: het kort geding. Het kort geding dient voor dringende gevallen waarin zich een voorlopige oplossing opdringt. De toename van het aantal gerechtszaken en de gerechtelijke achterstand die daarvan het gevolg is, hebben deze procedure zeer populair gemaakt.
Het kort geding valt onder de bevoegdheid van de voorzitters van de rechtbanken van eerste aanleg, de handels- en de arbeidsrechtbanken. Een essentiële voorwaarde voor een kort geding, is dat er hoogdringendheid is. Er moet met andere woorden een groot risico bestaan op een ernstige, onherstelbare of moeilijk herstelbare schade als er niet snel ingegrepen wordt. Een kort geding kan zelfs op eenzijdig verzoek worden gevoerd. De rechter oordeelt dan over het verzoekschrift zonder de tegenpartij nog maar te horen.
De beschikking in kort geding is een beslissing waarmee de rechter een situatie voorlopig regelt, zonder afbreuk te doen aan wat ten gronde zal worden beslist aan het einde van het proces. De beschikkingen in kort geding hebben echter wel gezag van rechterlijk gewijsde en zijn van rechtswege uitvoerbaar (tenzij de rechter zelf anders beslist). Ze moeten dus worden uitgevoerd, ongeacht de uitspraak die later ten gronde nog volgt. De beslissing van de rechter komt gewoonlijk neer op een voorlopige maatregel en/of de opschorting van de daad die dreigt te leiden tot de schade. In dit laatste geval mag de aangevochten handeling (bijvoorbeeld: bouwen zonder bouwvergunning) tijdelijk niet worden uitgevoerd. Deze beslissing kan worden gekoppeld aan een dwangsom, dat is een geldsom die moet worden betaald bij niet-naleving van de gerechtelijke beslissing. De voorlopige maatregel kan verder een onderzoeksmaatregel zijn, de toekenning van een provisie, de aanduiding van een bewaarder, het verbod om een goed te vervreemden, de stillegging van werken, enzomeer.
Ook voor de Raad van State en het Arbitragehof kan een partij, bij de aanvang van een procedure, om de voorlopige schorsing verzoeken van een handeling waarvan men de vernietiging vraagt. De rechter zal hierop ingaan als de aangevoerde middelen ernstig zijn en de uitvoering van de aangevochten handeling in de loop van de procedure zou leiden tot een moeilijk te herstellen ernstige schade (zie infra, Hoofdstuk 3).
Een beslagrechter, die binnen de rechtbank van eerste aanleg zetelt als enige rechter en zonder tussenkomst van het openbaar ministerie, wordt vermoed steeds in dringende gevallen te moeten optreden. Hij wordt ook aangesproken volgens dezelfde procedureformaliteiten als bij een kort geding.
§2: In strafzaken
Sinds 1998 kan elke persoon die wordt benadeeld door een daad van opsporingsonderzoek of gerechtelijk onderzoek met betrekking tot zijn goederen, daar de opheffing van vragen bij de procureur des konings of de onderzoeksrechter. Zo'n strafrechtelijk kort geding is mogelijk bij een inbeslagneming, een verzegeling, de blokkering van bankrekeningen of de sluiting van een handelszaak. Niet enkel de inverdenkinggestelde of de burgerlijke partij beschikken over deze mogelijkheid, maar ook derden.
De procureur des konings of de onderzoeksrechter die zo'n verzoekschrift ontvangt, moet uitspraak doen binnen de vijftien dagen na de inschrijving van het verzoekschrift in het daarvoor opgemaakte register.
De procureur des konings of de onderzoeksrechter kan de ‘staking’ van de onderzoekshandeling weigeren wanneer hij meent dat die nodig blijft voor het opsporingsonderzoek of het gerechtelijk onderzoek, wanneer de opheffing de vrijwaring van rechten van partijen of derden in het gedrang brengt, wanneer de opheffing een gevaar voor personen of goederen oplevert, of wanneer de wet voorziet in de inlevering of verbeurdverklaring van de genoemde goederen. Maar anders kan de onderzoeksmagistraat beslissen dat de daad van het opsporingsonderzoek of gerechtelijk onderzoek volledig, gedeeltelijk of onder voorwaarden wordt opgeheven.
Gaat de procureur des konings niet in op het verzoek, of laat hij na tijdig te antwoorden, dan kan de benadeelde hoger beroep instellen bij de kamer van inbeschuldigingstelling. Is het de onderzoeksrechter die weigert of nalaat te antwoorden, dan beschikt zowel de benadeelde als de procureur des konings over het recht van hoger beroep bij dezelfde KI.
Een verzoeker die zijn slag niet thuis haalt, moet drie maanden wachten om een nieuw verzoekschrift met hetzelfde voorwerp in te dienen. Die termijn gaat in vanaf de laatste beslissing over de zaak.