Verjaring
§1: In burgerlijke zakenIn burgerlijke zaken maakt verjaring het mogelijk iets te verkrijgen of
zich van een verplichting te bevrijden na verloop van een zekere tijd. Zo is een schuld - bijvoorbeeld een te betalen factuur - na verloop van tijd niet meer opeisbaar. Formeel gezien tast dit het bestaan van de schuld nochtans niet aan.
Verjaring heeft in de eerste plaats tot doel rechtszekerheid en sociale rust te verzekeren. Maar sommige bijzondere en ook kortere verjaringen hebben een andere grondslag: zij berusten op een vermoeden van betaling (bijvoorbeeld: de vordering van advocaten tot betaling van hun kosten en erelonen; de vordering van gerechtsdeurwaarders voor de akten die zij betekenen; de vordering van leraars voor de lessen die zij geven).
Een
bevrijdende verjaring berust in de meeste gevallen gewoon op het niet-optreden van de schuldeiser, die dus nalaat zijn rechten te doen gelden. De
rechtsvordering die hij had kunnen instellen tegen zijn schuldenaar
dooft op die manier
uit. Treedt hij in rechte op na het verstrijken van de verjaringstermijn, dan kan de schuldenaar de verjaring inroepen en aldus ontkomen aan betaling. De rechter kan de verjaring van het recht van de schuldeiser niet ambtshalve opwerpen, behalve wanneer het een zaak van openbare orde betreft (bijvoorbeeld: verbintenis om geen klacht in te dienen, schenking onder samenwonenden).
Iemand kan niet op voorhand (in een overeenkomst) worden beroofd van de mogelijkheid de verjaring in te roepen. Maar zodra de verjaringstermijn verstreken is, kan de schuldenaar wel afstand doen van het inroepen van de verjaring. De partijen kunnen ook gezamenlijk beslissen een verjaring die al begon te lopen, te schorsen. Of ze kunnen de wettelijke termijnen ten gunste van de schuldenaar verkorten, behalve indien de openbare orde in het spel is.
De
verjaringstermijnen variëren naargelang van het geval. De verjaringstermijn van gemeen recht bedraagt dertig jaar voor zakelijke rechten (vruchtgebruik, erfdienstbaarheid, enzomeer) en tien jaar voor vorderingsrechten (betaling van de verkoopprijs voor een onroerend goed, terugbetaling van een lening, betaling van een onverschuldigde som, enzovoort). Er zijn ook tal van bijzondere verjaringstermijnen gaande van 10 jaar tot 6 maanden.
§2: In strafzakenVerjaring is ook een
grond voor de uitdoving van de strafvordering. Dit is toepasselijk op alle misdrijven, behalve op genocide, oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid. Die laatste zijn met andere woorden onverjaarbaar. In strafzaken heeft de verjaring een dubbele bestaansreden: de 'sociale rust' vergt dat vervolging na een zekere periode niet meer mogelijk is, en bovendien maakt het verstrijken van de tijd het leveren van het bewijs toch steeds moeilijker. Herinneringen vervagen, bewijselementen verdwijnen, en dat alles vergroot het risico op gerechtelijke dwaling.
Zodra de
termijn verstreken is, is de strafvordering verjaard. De vermoedelijke dader kan dan niet meer worden vervolgd. De verjaring is van openbare orde, ze wordt dus automatisch verkregen na het verstrijken van de wettelijke termijn. De rechter moet er ambtshalve rekening mee houden.
De verjaringstermijn begint doorgaans te lopen op de dag van het misdrijf. Een uitzondering is de verjaring van seksueel misbruik gepleegd op een minderjarige: die termijn begint pas te lopen vanaf de meerderjarigheid van het slachtoffer.
De
verjaringstermijn varieert naargelang van de ernst van het misdrijf. Het gaat om 10 jaar voor misdaden, 5 jaar voor wanbedrijven en gecorrectionaliseerde misdaden, 1 jaar voor wanbedrijven die worden omgezet in overtredingen, en 6 maanden voor overtredingen. Bijzondere wetten kunnen voorzien in specifieke verjaringstermijnen voor sommige misdrijven. Zo verjaren alle verkeersmisdrijven in principe na een jaar.
De verjaring kan worden gestuit door een daad van gerechtelijk onderzoek of een vervolgingsdaad die wordt verricht tijdens het verlopen van de termijn. Voorbeelden zijn een rechtstreekse dagvaarding, een vordering van het openbaar ministerie, een hoger beroep. Niet in aanmerking komen: een proces-verbaal opgesteld door een politieagent buiten betrapping op heterdaad, een klacht zonder burgerlijke partijstelling... Wordt de
verjaringstermijn gestuit, dan wordt de periode die al verstreken is uitgewist en begint, met ingang van het ogenblik van stuitende handeling, de wettelijke termijn opnieuw te lopen.
De verjaringstermijn kan ook worden
geschorst, bijvoorbeeld tijdens het onderzoek van een zaak door de feitenrechter (voor hoogstens een jaar) of wanneer de feitenrechter een prejudiciële vraag stelt aan het Arbitragehof. Wanneer de reden van de schorsing wegvalt, begint de verjaringstermijn opnieuw te lopen 'daar waar ze was gestopt'.
Tijdens een strafzaak kan het slachtoffer een burgerlijke vordering instellen tot herstel van de fysieke en/of morele schade die het misdrijf hem berokkende. Ook deze vordering verjaart, maar dan volgens de regels van het Burgerlijk Wetboek en niet volgens het Wetboek van Strafvordering. Een
rechtsvordering tot vergoeding van schade die voortvloeit uit een misdrijf,
verjaart na vijf jaar vanaf de dag waarop het slachtoffer kennis krijgt van de schade en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon. Zo zal iemand die pas na verloop van tijd ziek wordt ingevolge een inbreuk op de milieuregels door een onderneming (het lozen van gif in zwemwater om een voorbeeld te geven), zijn burgerlijke schadevordering kunnen instellen tot vijf jaar na het opduiken van zijn ziekte. Ook al is dat verschillende jaren na het misdrijf zelf. De burgerlijke vordering verjaart niettemin steeds na 20 jaar vanaf de dag van het misdrijf, behalve bij schorsing of stuiting. Ze kan alleszins niet vóór de strafvordering verjaren.
Extra extraALTERNATIEVE MANIEREN OM CONFLICTEN OP TE LOSSENJustitie is overbevraagd en overbelast, zoveel is wel duidelijk. Dus mag het niet verwonderen dat er alsmaar vaker een beroep wordt gedaan op 'alternatieve' manieren om conflicten op te lossen.
- Bij bemiddeling doen twee of meer partijen een beroep op een derde partij om hen te helpen een overeenkomst te bereiken in een probleemsituatie of een juridisch conflict. Denk aan problemen tussen echtgenoten of buren, conflicten in scholen of ondernemingen, geschillen tussen banken en schuldeisers... Dit soort bemiddeling wordt alsmaar meer aangeboden. Buiten het rechtssysteem gaat het om bijvoorbeeld psychologen of advocaten. Binnen het rechtssysteem kan een rechter een gezinsbemiddelaar of (in functie van een collectieve schuldenregeling) een schuldbemiddelaar aanstellen. Dat kan gebeuren op verzoek of met instemming van de partijen.
- In strafzaken bestaat er ook een bemiddelingsmechanisme: bemiddeling in strafzaken onder de leiding van de procureur des konings (zie hoger, Afd. 3, 2, 2.1., §4). Bemiddeling in strafzaken kan door het parket worden voorgesteld na afloop van zijn onderzoek om een geschil te beslechten zonder tussenkomst van de rechter. Het betreft een vrijwillige procedure. Ze vereist het akkoord en de medewerking van de dader van het misdrijf en zijn slachtoffer.
- Alvorens een klassieke procedure te beginnen, kan een benadeelde partij op de bevoegde rechtbank een beroep doen om tot een verzoening te komen. De verzoening moet plaatsvinden tussen beide partijen. De rechter mag de discussies leiden, maar hij mag geen oplossing opleggen.
- Nog een alternatieve manier om conflicten op te lossen is arbitrage: het geschil wordt dan voorgelegd aan een of meer (vaak drie) neutrale scheidsrechters die los staan van justitie, en wier beslissingen al dan niet een dwingend karakter kunnen hebben. Arbitrage wordt frequent gebruikt in handelskwesties en meer in het bijzonder voor grensoverschrijdende handelsrelaties. Er zijn ook toepassingen in het consumentenrecht, in de vorm van een reeks geschillencommissies voor consumenten.
- Het burgerlijk recht kent ook nog de mogelijkheid van een dading: een overeenkomst waarin de partijen hun geschil beslechten door wederzijdse toegevingen te doen.
- In strafzaken kan het parket aan de dader van een misdrijf een minnelijke schikking voorstellen. Dit komt neer op de betaling van een geldsom aan het parket waardoor dit afziet van vervolging (zie hoger, Afd. 3, 2, 2.1., §4).