De onderzoeksgerechten: raadkamer en kamer van inbeschuldigingstelling
a) Rol van de onderzoeksgerechten tijdens de fase van het gerechtelijk onderzoekEen gerechtelijk onderzoek kan zware gevolgen hebben, en daarom wordt dit niet enkel aan een onderzoeksrechter toevertrouwd maar wordt deze ook nog eens begeleid en gecontroleerd door
onderzoeksgerechten. In eerste aanleg is dat de
raadkamer en op het niveau van het hof van beroep de
kamer van inbeschuldigingstelling.
De raadkamer bestaat uit één rechter, de kamer van inbeschuldigingstelling uit drie raadsheren.
Wanneer het gerechtelijk onderzoek nog loopt,
begeleiden deze kamers
de onderzoeksrechter door toe te zien op zijn werkzaamheden. Zo moet de raadkamer de voorlopige hechtenis binnen vijf dagen na aanhouding door de onderzoeksrechter bevestigen. De raadkamer zal om de maand beslissen over een verdere verlenging van de voorlopige hechtenis. Hoger beroep hiertegen is mogelijk bij de kamer van inbeschuldigingstelling. Ook wanneer een onderzoeksrechter weigert een door het parket of de partijen gevraagde onderzoeksdaad te verrichten, kunnen zij hiertegen hoger beroep aantekenen bij de kamer van inbeschuldigingstelling. Net zo beoordeelt de kamer van inbeschuldigingstelling het hoger beroep van particulieren tegen een onderzoeksrechter, wanneer die weigert hen inzage te geven in het strafdossier of een inbeslagneming op te heffen.
De kamer van inbeschuldigingstelling houdt verder ambtshalve toezicht op het verloop van de onderzoeken, en kan maatregelen nemen als een gerechtelijk onderzoek langer dan een jaar duurt. Ook is de kamer van inbeschuldigingstelling bevoegd om een dossier te 'zuiveren van elke onregelmatigheid', zodat het tijdens het eigenlijke strafproces niet meer tot een vrijspraak om procedureredenen kan komen.
b) Rol van de onderzoeksgerechten op het einde van het gerechtelijk onderzoekDe tweede taak van de onderzoeksgerechten, eerst de raadkamer en in hoger beroep de kamer van inbeschuldigingstelling, bestaat erin te
beslissen welke gevolgen aan het gerechtelijk onderzoek moeten worden gegeven op basis van het onderzoeksresultaat van de onderzoeksrechter en de eindvordering die de procureur des konings opstelt.
Wanneer de onderzoeksrechter zijn onderzoek afsluit, zendt hij het strafdossier naar de procureur des konings, die ofwel een aanvullend onderzoek vordert, ofwel een eindvordering formuleert. Zodra het parket zijn eindvordering geformuleerd heeft, krijgen de partijen inzage in het dossier. In tegenstelling tot in de fase van het gerechtelijk onderzoek, moeten zij dus niet meer de toestemming van de onderzoeksrechter vragen. Het feit dat er geen recht is op automatische toegang tot het strafdossier vóór het afsluiten van het gerechtelijk onderzoek, wordt wel eens betreurd.
Wanneer zij het dossier hebben geraadpleegd, kunnen de burgerlijke partij en de inverdenkinggestelde nog bijkomende onderzoeksdaden vorderen. Na advies van de procureur des konings, kan de onderzoeksrechter dat verzoek inwilligen of weigeren. Tegen een weigering is hoger beroep mogelijk bij de kamer van inbeschuldigingstelling.
Eens het gerechtelijk onderzoek helemaal afgesloten is, wordt de raadkamer door het parket betrokken bij de regeling van rechtspleging.
Tijdens de zitting in de raadkamer brengt de onderzoeksrechter verslag uit van zijn werkzaamheden en formuleert de procureur des konings zijn vordering: hij kan verwijzing naar de bevoegde rechtbank vragen of een buitenvervolgingstelling, maar ook de internering van de inverdenkinggestelde of de opschorting van de uitspraak. Vervolgens pleiten de burgerlijke partij en de inverdenkinggestelde met hun raadslieden.
De raadkamer heeft voor de regeling van rechtspleging verschillende mogelijkheden.
- Ze kan vaststellen dat het onderzoek niet 'in staat' is. Dan keert het dossier terug naar de procureur des konings die bijkomende vorderingen zal formuleren aan de onderzoeksrechter. Officieel spreekt men van een beschikking van opschorten recht te doen.
- Als de raadkamer oordeelt dat het feit niet of niet meer strafbaar is, of als er geen voldoende bewijzen zijn tegen de inverdenkinggestelde, dan neemt ze een beschikking tot buitenvervolgingstelling. De zaak kan echter later nog worden heropend.
- Oordeelt de raadkamer daarentegen dat er wel voldoende bezwarende elementen zijn, dan neemt ze een beschikking tot verwijzing. Ze verwijst de inverdenkinggestelde naar de rechtbank voor een precieze tenlastelegging, eventueel met handhaving van de hechtenis of met bepaalde opgelegde voorwaarden. Overtredingen worden gevonnist door de politierechtbank, wanbedrijven door de correctionele rechtbank. Er kan overigens wel rekening worden gehouden met verzachtende omstandigheden. Zo kunnen wanbedrijven 'gecontraventionaliseerd' worden, wat inhoudt dat ze naar de politierechtbank doorverwezen worden, en misdaden 'gecorrectionaliseerd' en dus doorverwezen naar de correctionele rechtbank.
- Oordeelt de raadkamer dat het gaat om een niet-correctionaliseerbare misdaad, die dus onder de bevoegdheid van het assisenhof valt, dan start zij de procedure van inbeschuldigingstelling op. Zij beveelt dan de overbrenging van de stukken door de procureur des konings naar de procureur-generaal bij het hof van beroep, opdat hij de zaak aanhangig maakt bij de kamer van inbeschuldigingstelling, die de zaak al dan niet naar het hof van assisen zal verwijzen. De beslissingen van de kamer van inbeschuldigingstelling zijn arresten (arrest van buitenvervolgingstelling, verwijzingsarrest, enz.). Dit kan gepaard gaan met een aanhoudingsbevel (beschikking tot gevangenneming van de beschuldigde).
Het openbaar ministerie en de burgerlijke partijen kunnen tegen elke beschikking van de raadkamer hoger beroep aantekenen bij de kamer van inbeschuldigingstelling. De inverdenkinggestelde kan weliswaar slechts in een beperkt aantal gevallen hoger beroep aantekenen tegen een verwijzingsbeschikking.
In twee gevallen kunnen de raadkamer en de kamer van inbeschuldigingstelling ten gronde uitspraak doen, dit wil zeggen zoals een vonnisgerecht beslissen over de schuld van de beklaagde. Dat is om te beginnen bij de internering van ontoerekeningsvatbare daders. En verder kunnen ze reeds in het stadium van de regeling van de rechtspleging een opschorting van de uitspraak van de veroordeling uitspreken. Dat laatste zal het geval zijn wanneer de onderzoeksrechter meent dat de openbaarheid van de debatten de beklaagde extra nadeel zal berokkenen of zijn reclassering in gevaar kan brengen. Als de opschorting uitgesproken is, wordt de inverdenkinggestelde veroordeeld tot de kosten en doet de raadkamer indien nodig uitspraak over de burgerlijke vordering.
Niet te verwarren
SEPONERING EN BUITENVERVOLGINGSTELLING
Seponering is een beslissing van het parket. Zodra een zaak bij het parket aanhangig is gemaakt of na het opsporingsonderzoek, meent het om verschillende redenen dat er geen reden is om een vervolging te beginnen tegen de vermoedelijke dader van de feiten.
Wanneer de zaak gerechtelijk werd onderzocht, kan de raadkamer een beschikking van buitenvervolgingstelling formuleren indien hij meent dat de tenlasteleggingen tegen de vermoedelijke dader ontoereikend zijn of indien de feiten niet of niet meer strafbaar zijn. Tegen die beschikking is weliswaar hoger beroep mogelijk.