|
Algemeen
Het geven van informatie veronderstelt niet noodzakelijk dat men ook altijd namen van personen noemt. Met name bij nieuws uit de gerechtelijke sfeer moet de journalist erop toezien niet te snel persoonlijke gegevens te publiceren of informatie die gemakkelijk kan worden geïdentificeerd.
Volgens artikel 22 van de Grondwet heeft 'ieder het recht op eerbiediging van zijn privé-leven en zijn gezinsleven, behoudens in alle gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald'. Ook artikel 8 van het EVRM beschermt de privacy.
Ook belangrijk in dit verband is artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, dat kan worden ingeroepen door iedereen die vindt dat de pers hem ten onrechte met naam of andere persoonsgegevens in de openbaarheid heeft gebracht, met alle schade die dat heeft teweeggebracht. Volgens de rechtspraak is een onrechtmatige aantasting van de privacy een nadeel dat aanleiding kan geven tot schadeloosstelling.
Ook in de ethische codes wordt het belang van de privacy erkend. Elke journalist 'zal zich ertoe verplichten het privé-leven van de personen te eerbiedigen' (Verklaring der Rechten en Plichten, plicht 5). In de Code van Journalistieke Beginselen (punt 5) wordt dat: 'De uitgevers, de hoofdredacteuren en journalisten moeten de individuele waardigheid en privacy respecteren; zij moeten iedere ongeoorloofde inmenging in persoonlijke pijn en smart vermijden, tenzij overwegingen in verband met de persvrijheid zoals onder artikel 1 bepaald, dit noodzakelijk maken.'
Niettemin blijft 'privacy' een bijzonder rekbaar begrip. Niet iedereen beschikt over evenveel recht op een private sfeer. Volgens zowel de rechtspraak als de journalistieke deontologie moeten personen met een openbare functie dulden dat hun officiële handelingen door de media op de voet worden gevolgd. Toch hebben ook zij recht op respect voor hun privé-leven, maar dit vervalt weer wanneer feiten uit hun privé-leven relevant zijn voor de publieke machtsuitoefening. Denk aan een politicus die hevig voor het huwelijk pleit en zelf uit de echt scheidt, of aan een politieman die goede contacten onderhoudt met een duister figuur.
Een speciaal geval vormen publieke figuren met een discretieplicht, zoals magistraten. Omdat zij zich niet zo makkelijk publiek kunnen verweren, moeten journalisten een extra sterk dossier hebben wanneer ze magistraten bekritiseren in verband met hun private levenssfeer, aldus het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (zie infra, hoofdstuk 5, afdeling 2).
Ook andere publieke figuren moeten aandacht van de pers voor hun doen en laten tolereren: belangrijke zakenmensen, vakbondsleiders, advocaten, sportvedetten, artiesten, journalisten...
Nog een relevant element is in hoeverre een persoon - zowel een particulier als een publieke figuur - zelf een zekere openbaarheid opzoekt. Denk aan een politicus die een televisieteam in zijn huis ontvangt om zijn gezinsleven te filmen, aan iemand die op een spectaculaire manier zelfmoord pleegt, of aan iemand die zich laat interviewen voor televisie en daarbij elementen prijsgeeft waarvan hij later spijt heeft. De vraag rijst dan of de pers soms niet de plicht heeft om personen 'tegen zichzelf te beschermen'? Volgens sommige journalisten is dat in bepaalde omstandigheden wel degelijk het geval. Anderen staan weigerachtiger: zij gaan ervan uit dat elke persoon zich maar bewust moet zijn van wat hij doet of zegt en bereid moet zijn de gevolgen daarvan te dragen.
De vraag blijft in hoeverre ook gewone privé-personen die plots in een publieke gebeurtenis verwikkeld raken daarmee hun recht op privacy verliezen. Uitgerekend journalisten die berichten over gerechtelijke dossiers krijgen telkens opnieuw met die vraag te maken. Meer dan wie ook krijgen zij te maken met mensen die zich doorgaans in kwetsbare posities bevinden - als slachtoffer, als verdachte, beklaagde, veroordeelde, of als getuige. Veel meer dan men vermoedt, respecteren journalisten in al die gevallen het recht op privacy of een van zijn varianten: het recht op anonimiteit, het recht op respect voor 'pijn en smarten' (van slachtoffers), het 'recht op vergetelheid' (van veroordeelden die een nieuwe kans willen krijgen), het recht op het vermoeden van onschuld (van verdachten en beklaagden), ook al is enkel de overheid en formeel gezien niet de pers door dit laatste gebonden. Het belet niet dat er wel degelijk ook excessen zijn, zoals het ten allen prijze filmen of fotograferen van een verdachte die, de jas over het hoofd getrokken bijvoorbeeld, duidelijk maakt dat hij niet in beeld wil komen.
De afweging van recht op informatie en recht op privacy, zeker in gerechtelijke dossiers, is een bijzonder delicate aangelegenheid. Vandaar dat journalisten sterk aandringen op zelfregulering in deze materie, liever dan dat het gerecht hen bepaalde gedragsregels oplegt.
Voor journalisten van de schrijvende pers komt de kwestie in essentie neer op de vraag 'namen noemen of niet?'. Ook andere persoonsgegevens vallen overigens onder het recht op privacy, zoals adres, nationaliteit en seksuele geaardheid. Voor beeldjournalisten (fotografen en cameralui) geldt een visuele variant: het recht op afbeelding.
|