Portretrecht of recht op afbeelding
'De auteur of de eigenaar van een portret dan wel enige andere persoon die een portret bezit of voorhanden heeft, heeft niet het recht het te reproduceren of aan het publiek mede te delen zonder toestemming van de geportretteerde of, gedurende twintig jaar na diens overlijden, zonder toestemming van zijn rechtverkrijgenden.' (Wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en naburige rechten, artikel 10).
Twee principes treden met elkaar in concurrentie: het subjectieve recht van elk individu op respect voor zijn afbeelding en het recht van de pers om via afbeeldingen te informeren, dit als onderdeel van de vrijheid van meningsuiting. Het recht op afbeelding, zoals in de wet omschreven, kent dan ook verschillende beperking.
1. Gewone particulieren
Ook gewone burgers moeten soms aanvaarden dat ze in het kader van actualiteitsverslaggeving gefilmd of gefotografeerd worden, bijvoorbeeld bij een openbare manifestatie. Beeldjournalisten kunnen immers altijd opnamen maken van een openbare plaats, mét de personen die zich daar op dat moment bevinden, bijvoorbeeld in een justitiepaleis. Voor actualiteitsbeelden en opnames van een massa geldt het portretrecht dus niet. Maar er blijven grenzen. Een beeld reproduceren van iemand in een situatie die zijn reputatie kan schaden (bijvoorbeeld iemand die een private club verlaat), zou kunnen leiden tot een veroordeling. Het is ook verboden om iemands beeld te publiceren in een denigrerende context. Ook iemand die erg goed herkenbaar is of het belangrijkste onderwerp vormt van de afbeelding, zou zijn recht op afbeelding kunnen inroepen.
Wie een interview toestaat aan een tv-journalist, wordt verondersteld meteen zijn toestemming te geven voor de weergave van zijn beeltenis. Hetzelfde geldt voor iemand die een persconferentie geeft. Maar in andere gevallen geldt dat de journalist eerst om toestemming moet vragen voor hij een privé-persoon in beeld brengt. Dat is a fortiori het geval wanneer het beeld voor commerciële doeleinden wordt gebruikt.
Nog dit: ter illustratie van gerechtelijk nieuws wordt meer dan eens gewerkt met archieffoto's of -beelden. Die verliezen evenwel snel hun actualiteitswaarde. Zonodig zal archiefmateriaal daarom alleen opnieuw gepubliceerd of uitgezonden worden met de vermelding dat het om archiefmateriaal gaat. Hetzelfde geldt voor beeldmateriaal dat gemaakt is bij een eigen reconstructie van de feiten. Ook dan is een duidelijke vermelding van de aard van de beelden op zijn plaats.
2. Publieke figuren
Politici, magistraten, bedrijfsleiders, filmsterren, kunstenaars, sportfiguren en andere publieke figuren worden verondersteld toe te staan dat hun afbeelding wordt gebruikt in het kader van actualiteitsverslaggeving of om het publiek te informeren. Toch moet tot op zekere hoogte ook de privacy van deze publieke figuren worden beschermd. Zo veroordeelde een rechtbank de publicatie van een foto van een onderzoeksrechter in badpak tijdens haar vakantie. Ook de publicatie van beelden van publieke figuren voor commerciële doeleinden is niet zomaar toegelaten, tenzij dat voor bijvoorbeeld de reclamecampagne van een krant zou dienen.
In maart 2004, bij de aanvang van het proces-Dutroux, vroeg de hoofdbeschuldigde aan de voorzitter van het assisenhof om de media te verbieden hem tijdens het proces herkenbaar in beeld te brengen. De voorzitter willigde dit ook in. De AVBB protesteerde tegen de maatregel, met het argument dat het portretrecht van Dutroux hier al te snel had opgewogen tegen de informatievrijheid van pers en publiek. Toen enkele kranten bewust tegen het verbod ingingen en Dutroux zonder ‘bandje’ in beeld brachten, werd hun fotografen de toegang tot de rechtszaal ontzegd. Het conflict geraakte echter snel weer van de baan: allerlei informele contacten leidden er uiteindelijk toe dat Dutroux in extremis toch afzag van zijn vraag.
3. Beeldhouwkunst, monumenten,enz.
Het recht op afbeelding is vanzelfsprekend enkel van toepassing op personen. Maar hoe zit het met foto's en beelden van tentoongestelde werken op de publieke weg? Als het gaat om een werk beschermd door het auteursrecht, moet men het akkoord hebben van de auteur voor het kan worden afgebeeld. Het auteursrecht blijft bestaan gedurende zeventig jaar na het overlijden van de auteur. Vóór het verstrijken van deze termijn moet men toestemming vragen aan de nabestaanden van de auteur.
De toestemming van de auteur (of de nabestaanden) is echter niet vereist wanneer het tentoongestelde werk op de achtergrond en niet centraal staat (bijvoorbeeld tijdens een manifestatie).
Een ander geval van vrijstelling van toestemming betreft de reproductie van beeldwerken of de communicatie aan het publiek over deze werken, met als doel te informeren over actualiteitsgebeurtenissen. Deze uitzondering richt zich tot de media die geen tijd hebben om toestemming te vragen aan alle auteurs; zij is dus slechts van toepassing indien een snelle communicatie noodzakelijk is. Wanneer het onderwerp van de bijeenkomst het kunstwerk zelf is, moeten de naam en titel van de auteur vermeld worden (bijvoorbeeld: infoflash in TV journaal over een tentoonstelling). De vrijstelling waarvan sprake geldt voor plastische kunst - aangezien er sprake is van beelden en foto's - maar is eveneens van toepassing op litteraire of artistieke kunst.