Naar een toenadering van de standpuntenIn mei 2003 stuurde de minister van Justitie een omzendbrief naar de parketten van het land 'betreffende het geheim van de bronnen van journalisten'. Het gaat om de eerste Belgische rechtsregel die expliciet het geheim van de journalistieke bronnen erkent. De minister van Justitie vraagt aan de procureurs des konings en hun substituten om bij hun onderzoeken rekening te houden met de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over artikel 10 van het EVRM en het bronnengeheim.
De omzendbrief herinnert eraan dat volgens het Europees Hof het bronnengeheim voortvloeit uit de vrijheid van meningsuiting, een van de essentiële pijlers van een democratische maatschappij. De bescherming van de bronnen van journalisten is weliswaar niet absoluut, maar inperkingen van de vrijheid van meningsuiting zijn slechts mogelijk als ze vervat zijn in een wet (en dus toegankelijk en voorzienbaar). De beperkingen moeten ook een gerechtvaardigd doel dienen, zoals het voorkomen van misdrijven of de bescherming van andermans rechten. Ten slotte moeten de beperkingen noodzakelijk zijn in een democratische maatschappij, m.a.w.
'elke inperking van artikel 10 van het EHRM moet in verhouding staan tot het doel dat de wet nastreeft. Slechts in uitzonderlijke gevallen waarin het algemeen belang of het leven van een persoon wordt bedreigd, kan het bekendmaken van de bronnen gerechtvaardigd zijn en moet het principe van de proportionaliteit worden nageleefd'. Bovendien
'kan de noodzaak om het bronnengeheim te doorbreken om wettelijke belangen na te leven slechts worden aangetoond als er geen redelijke alternatieve maatregelen bestaan (subsidiariteit). Als er alternatieven zijn, moeten deze eerst worden uitgeput vooraleer de journalist kan worden verplicht zijn bronnen bekend te maken'.
Volgens de omzendbrief zijn deze principes ook van toepassing op huiszoekingen. Ook de huiszoeking die wordt uitgevoerd bij de advocaat van een journalist met het oog op het ontdekken van een journalistieke bron, druist in tegen artikel 10 van het EVRM.
Texto
OMZENDBRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE BETREFFENDE HET BRONNENGEHEIM VAN DE JOURNALISTEN
Hoewel het principe van het bronnengeheim van journalisten een erkend principe is in onze rechtsorde bestaat er in het Belgische materiële recht geen expliciete wettelijke bepaling die dit bronnengeheim erkent, beschermt en eventueel moduleert.
Het bronnengeheim van journalisten wordt beschouwd als een derivaat van het recht op vrije meningsuiting dat een grondrecht is en vervat is in artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft op basis van dit artikel reeds meerdere arresten geveld omtrent het journalistieke bronnengeheim. Er kan verwezen worden naar het princieparrest van 27 maart 1996 (W. Goodwin t. Verenigd Koninkrijk) en laatst nog het arrest van 25 februari 2003 (Roemen en Schmit t. Luxemburg).
Aangezien een wettelijke bepaling ontbreekt, is het van belang de principes van artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, zoals zij door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in relatie worden gebracht tot het journalistiek bronnengeheim aan te halen. Het bronnengeheim dient gerespecteerd te worden en elke beperking van het bronnengeheim moet de toets kunnen doorstaan van art. 10 EVRM.
I. Principe
Luidens artikel10, §1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens heeft:
"1. Eenieder (heeft) het recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of door te geven, zonder inmenging van overheidswege en ongeacht grenzen. Dit artikel belet niet dat Staten radio-omroep-, bioscoop- of televisie-ondernemingen kunnen onderwerpen aan een systeem van vergunningen".
II. Beperkingen
De tweede alinea van artikel 10 EVRM legt een aantal beperkingen op aan het bronnengeheim van de journalisten.
"2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, welke bij de wet worden voorzien en die in een democratische samenleving nodig zijn in het belang van ’s lands veiligheid, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen."
In haar rechtspraak heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens bevestigd dat de bronnenbescherming van journalisten niet absoluut is. Conform deze rechtspraak dienen legitieme beperkingen van het recht te worden geëxpliciteerd en gespecificeerd in de wet (die voldoet aan de kwaliteitsvereisten gesteld aan een wet met name toegankelijkheid en voorzienbaarheid); ze dienen een wettelijk doel na te streven; en ze dienen noodzakelijk te zijn in een democratische samenleving.
1. Beperkingen dienen bij wet te zijn voorzien
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft herhaaldelijk benadrukt dat het toepasbare interne recht dient te worden geformuleerd op een voldoende nauwkeurige wijze zodanig dat de betrokken personen zich in de mogelijkheid bevinden om te voorzien in de gevolgen van een bepaalde handeling. Bovendien dient het toepasbare interne recht op een voldoende duidelijke wijze te worden geformuleerd, zodanig dat de betrokkenen een gepaste bescherming genieten tegen een willekeurige inmenging. Een wet die een discretionaire toepassing toelaat, is in overeenstemming met deze vereiste op voorwaarde dat de draagwijdte van de discretionaire toepassing, en de wijze van toepassing voldoende duidelijk is aangegeven, opdat het individu adequaat beschermd wordt tegen arbitraire beperkingen (EHRM 27 maart 1996 (W. Goodwin t. Verenigd Koninkrijk), par. 31).
2. Beperkingen dienen een wettelijk doel na te streven
Hiervoor wordt verwezen naar de opsomming in artikel 10, §2 EVRM.
3. Beperkingen dienen noodzakelijk te zijn in een democratische samenleving
Om de aard van de noodzakelijkheid te duiden, wijst het Europees Hof voor de Rechten van de Mens erop dat de vrijheid van meningsuiting één van de essentiële grondbeginselen uitmaakt van een democratische samenleving en dat de bescherming van de pers van een bijzonder belang is. Zonder de bescherming van het bronnengeheim, kunnen bronnen afgeschrikt worden om de pers te helpen bij de informering van het publiek over aangelegenheden van algemeen belang. Gelet op het belang van het bronnengeheim voor de persvrijheid in een democratische samenleving, is een beperking ervan niet in overeenstemming met artikel 10 EVRM tenzij deze kan gerechtvaardigd worden door een doorslaggevende vereiste voor het algemeen belang (EHRM 27 maart 1996 (W. Goodwin t. Verenigd Koninkrijk), par. 39).
In de beoordeling van de noodzakelijke aard van de beperking, geldt een appreciatiebevoegdheid voor de nationale autoriteiten. Het Hof zal evenwel in het licht van de zaak in zijn geheel nagaan of de aangehaalde motieven relevant en toereikend zijn.
Om aan te tonen dat het prijsgeven van het bronnengeheim noodzakelijk is om het wettelijk belang na te leven moeten redelijke alternatieve maatregelen ontbreken (subsidiariteit). Indien er alternatieven bestaan, dienen deze eerst te worden uitgeput vooraleer over te gaan tot het verplichten van de journalist om zijn bronnen prijs te geven.
Elke beperking van artikel 10 EVRM dient proportioneel te zijn ten aanzien van het nagestreefde wettelijke doel. Enkel in uitzonderlijke gevallen waarbij het algemeen belang of een persoonlijk levensbelang in gevaar is kan het prijsgeven van de bronnen verantwoord zijn en het criterium van de proportionaliteit gerespecteerd worden.
Ik vestig er tenslotte de aandacht op dat het Hof van oordeel is dat een huiszoeking bij de raadsman van een journalist, die er in essentie op gericht is een journalistieke bron op het spoor te komen, evenzeer een schending kan uitmaken van artikel 10 EVRM (EHRM 25 februari 2003 (Roemen en Schmit t. Luxemburg)).
De Minister van Justitie,
Marc Verwilghen.
Op 6 mei 2004 keurde de Kamer van Volksvertegenwoordigers een wetsvoorstel goed tot regeling van het recht van journalisten om hun informatiebronnen te verzwijgen (zie
www.dekamer.be/FLWB/pdf/51/0024/51K0024017.pdf). Het wetgevend initiatief is gericht op een algemene erkenning van het journalistieke bronnengeheim - niet enkel door het openbaar ministerie maar ook door de rechterlijke macht. De tekst kan door de Senaat wel nog worden aangepast, en moet dan terug naar de Kamer die wel het laatste woord heeft.
Voor de AVBB is het positief dat de bescherming van het bronnengeheim niet enkel slaat op getuigenverhoren, maar uitgebreid wordt tot fouilleringen, huiszoekingen, inbeslagnemingen en telefoonregistraties. Alleen een rechter kan beslissen tot het doorbreken van het bronnengeheim, en dan nog alleen wanneer dit 'cruciaal' is voor het voorkomen van welbepaalde misdrijven (zie hierna) en wanneer de beoogde informatie op geen enkele andere wijze verkregen kan worden. Het wetsvoorstel beschermt journalisten die zich op vertrouwelijke bronnen beroepen verder tegen vervolgingen voor heling.
Justitie kan weliswaar ingaan tegen het bronnengeheim ter voorkoming van misdrijven waarbij de fysieke integriteit van personen ernstig wordt bedreigd (zoals bij gijzeling, terrorisme of zedendelicten) of nog ter voorkoming van terroristische misdrijven.
Texto
WETSONTWERP TOT TOEKENNING AAN DE JOURNALISTEN VAN HET RECHT OM HUN INFORMATIEBRONNEN TE VERZWIJGEN
Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers - 6 mei 2004 - Tekst aangenomen in plenaire vergadering en overgezonden aan de Senaat
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Artikel 2
Voor de toepassing van deze wet dient onder ‘journalist’ te worden verstaan eenieder die informatie verwerkt in de vorm van geregelde communicatie aan het publiek.
Artikel 3
Iedere journalist heeft het recht om zijn informatiebronnen te verzwijgen. Met uitzondering van de gevallen bedoeld in artikel 4, kan hij er niet toe gedwongen worden zijn informatiebronnen vrij te geven en inlichtingen, opnameS en documenten te verstrekken die onder meer:1) de identiteit van zijn informanten kunnen bekendmaken;2) de aard of de herkomst van zijn informatie kunnen prijsgeven;3) de identiteit van de auteur van een tekst of audiovisuele productie kunnen bekendmaken;4) de inhoud van de informatie en van de documenten zelf kunnen bekendmaken.
Artikel 4
De journalist kan enkel op vordering van de rechter ertoe gedwongen worden de informatiebronnen bedoeld in artikel 3 vrij te geven, indien die van aard zijn misdrijven te voorkomen bedoeld in artikel 137 van het Strafwetboek of misdrijven waarbij de fysieke integriteit van een of meer personen ernstig bedreigd wordt en indien de volgende cumulatieve voorwaarden vervuld zijn:1) de gevraagde informatie is cruciaal voor het voorkomen van deze misdrijven;2) de gevraagde informatie kan op geen enkele andere wijze verkregen worden.
Artikel 5
Opsporings- of onderzoeksmaatregelen zoals fouilleringen, huiszoekingen, inbeslagnemingen, het afluisteren en opnemen van telefoongesprekken mogen niet slaan op gegevens die betrekking hebben op de informatiebronnen van de journalist, tenzij die gegevens kunnen voorkomen dat de in artikel 4 bedoelde misdrijven worden gepleegd, en met naleving van de daarin bepaalde voorwaarden.
Artikel 6
De journalist kan niet op grond van artikel 505 van het Strafwetboek worden vervolgd als hij zijn recht uitoefent om zijn informatiebronnen te verzwijgen.