Politie
3.1. Opdrachten
Politiediensten hebben zowel een administratieve bevoegdheid als een gerechtelijke functie.
Binnen hun administratieve (of bestuurlijke) bevoegdheid moeten de politiediensten de orde handhaven en misdrijven voorkomen. Praktisch gezien gaat het om het verlenen van hulp en bijstand aan slachtoffers van misdrijven of personen die informatie vragen, het regelen van het verkeer, het toezicht houden tijdens manifestaties op de openbare weg en het verrichten van preventieve controles op de weg. Deze opdrachten voert de politie uit onder het gezag van bestuurlijke overheden: voor de lokale politie is dat de burgemeester, voor de federale politie de minister van Binnenlandse Zaken.
De gerechtelijke functie, in de praktijk soms moeilijk te onderscheiden van haar bestuurlijke bevoegdheid, omvat onder andere het vaststellen van misdrijven, het opsporen en aanhouden van verdachten, het stellen van andere onderzoeksdaden. Deze gerechtelijke opdrachten worden uitgevoerd onder leiding van de hoven van beroep en onder toezicht van de procureurs-generaal. Het parket en de onderzoeksrechter geven hun instructies aan de politie door in zogeheten kantschriften.
De administratieve en gerechtelijke bevoegdheden worden uitgeoefend door politieagenten met volgende graden: (hulp-)agenten van politie, inspecteurs, hoofdinspecteurs, commissarissen en afdelingscommissarissen. Deze graden zijn wel te onderscheiden van de functies die op het terrein worden uitgeoefend.
De agenten van de bestuurlijke politie verrichten alle daden die nodig zijn voor de administratieve politie: personen controleren, toezicht uitoefenen, administratieve aanhoudingen verrichten. De officieren van bestuurlijke politie (OBP’s) dragen de verantwoordelijkheid voor de operaties, en nemen de beslissingen over bijvoorbeeld de evacuatie van gebouwen, de programmering van wegcontroles of identiteitscontroles en administratieve aanhoudingen.
De agenten van gerechtelijke politie zijn bevoegd om alle daden te stellen die nodig zijn voor een onderzoek. Enkele daden zijn voorbehouden aan de officieren van gerechtelijke politie/hulpofficieren van de procureur des Konings (OGP’s, HPK’s), bijvoorbeeld aanhoudingen op heterdaad en huiszoekingen.
3.2. Structuur
Vroeger waren er in België drie algemene politiediensten: de gemeentelijke politie, de rijkswacht en de gerechtelijke politie.

In plaats van alle politiediensten samen te brengen in één grote eenheidspolitie, heeft het Parlement er anno 1998 voor gekozen ze te herstructureren op twee niveaus.
De federale politie is een feit sinds 1 januari 2001. Zij kan als een voortzetting van de vroegere rijkswacht worden gezien, waaraan ook de voormalige gerechtelijke politie is toegevoegd. De federale politie staat onder leiding van een commissaris-generaal, die zelf onder het gezag staat van een Nationale Politieraad en van de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie.
De federale politie is bevoegd voor bestuurlijke en gerechtelijke opdrachten van bovenlokale en nationale aard. Ze omvat enerzijds een directie Bestuurlijke Politie, anderzijds een directie Gerechtelijke Politie (onder het gezag van het Federaal Parket). Verder zijn er nog directies voor de bijzondere operationele eenheden, de bijzondere steundiensten en de administratieve diensten.
De lokale politie bestaat sinds 1 januari 2002. Het gaat om een uitgebouwde versie van de vroegere gemeentepolitie, waaraan de territoriale brigades van de vroegere rijkswacht zijn toegevoegd. Die is gehergroepeerd per politiezone, 196 in totaal. Er zijn politiezones van één en van meerdere gemeenten. Elke dienst van een politiezone wordt geleid door een zonechef, die zelf verantwoording verschuldigd is aan een zonale Politieraad die bestaat uit de politieadviseurs en de burgemeesters en die bevoegd is voor het uitwerken van het algemene politiebeleid voor de zone. Dagelijks legt de zonechef verantwoording af over het leiden van het politiekorps aan het Politiecollege, samengesteld uit de burgemeesters van de betrokken gemeenten. De lokale politiediensten zijn bevoegd voor de ordehandhaving en opsporingen op lokaal niveau.
Tussen de federale politie en de lokale politie bestaat geen hiërarchisch verband. Wel is er een functionele wisselwerking, die verzekerd wordt via twee schakels. Voor de bestuurlijke opdrachten is dat een regionale coördinator, voor de gerechtelijke opdrachten een directeur-verbindingsagent.
Voor meer informatie over de federale politie en de lokale politie: www.politie.be
3.3. Operationele bevoegdheden
De politie heeft de plicht slachtoffers bij te staan, te helpen en te oriënteren (wet op het politieambt). In elke politiezone moet er dag en nacht slachtofferonthaal worden georganiseerd.
Volgens de wet op het politieambt mag de politie identiteitscontroles op het terrein uitvoeren telkens als er een 'redelijke grond' bestaat dat iemand de orde zal verstoren of betrokken is bij een misdrijf. De gecontroleerde moet dan de mogelijkheid krijgen zijn identiteit te bewijzen. In elk geval kan hij om deze reden nooit langer dan twaalf uur opgehouden worden, behalve bij misdrijven inzake vreemdelingenpolitie waar een termijn van 24 uur van toepassing is.
In twee gevallen mag de politie iemand fouilleren: als er een reële bedreiging van de openbare orde is (men spreekt dan van veiligheidsfouillering) en als er een ernstig vermoeden van betrokkenheid bij een misdrijf bestaat (dan is er sprake van gerechtelijke fouillering). Een veiligheidsfouillering mag maximaal één uur oponthoud veroorzaken. Een gerechtelijke fouillering mag maximaal zes uur oponthoud veroorzaken en wordt uitgevoerd op bevel en onder toezicht van een officier van gerechtelijke politie. Wanneer iemand gefouilleerd wordt vooraleer in een cel te worden opgesloten, moet dat gebeuren door een politiefunctionaris van hetzelfde geslacht als de gefouilleerde. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen onderzoek op het lichaam en onderzoek aan het lichaam (met indringing) waarbij het 'lichamelijk schaamtegevoel' gekwetst wordt. Voor dat laatste is altijd de machtiging van een magistraat nodig en de aanwezigheid van een arts.
Wanneer kan de politie een huiszoeking verrichten? Los van de toelating van een onderzoeksrechter, kan de politie een privé-woning, een onderneming of een vervoermiddel doorzoeken bij een betrapping op heterdaad. Dit kan overdag en ’s nachts. Ook wanneer er ernstig gevaar dreigt voor personen, zoals bij een risico op brand of ontploffing, mag de politie in een privé-woning binnendringen. Wanneer iemand de tussenkomst van de politie vraagt of dit toelaat, mag de politie eveneens een bezoek aan de woonplaats afleggen. Buiten verkeerscontroles kan de politie voertuigen doorzoeken zonder huiszoekingsbevel op voorwaarde dat er een minimale verdenking van betrokkenheid bij een misdrijf bestaat. Zo’n zoeking mag in principe niet meer dan één uur in beslag nemen.
Behalve in gevallen van betrapping op heterdaad van een wanbedrijf of misdaad, kan de onderzoeksrechter huiszoekingsbevelen afleveren voor onderzoeksdaden. Deze mogen evenwel niet plaatsvinden tussen 21 uur en 5 uur ’s ochtends.
De politie kan iemand bestuurlijk of administratief aanhouden wanneer dat absoluut noodzakelijk is om de openbare orde te bewaren. Zo’n aanhouding mag niet langer dan twaalf uur duren. Wordt iemand op heterdaad betrapt bij het plegen van een wanbedrijf of een misdaad, dan volgt een gerechtelijke aanhouding. Het parket moet hiervan zo snel mogelijk op de hoogte worden gebracht en kan beslissen de persoon naar het justitiepaleis te laten brengen: we zeggen dan dat de persoon ter beschikking van het parket wordt gesteld.
Het gebruik van geweld door de politie is alleen toegestaan onder de volgende voorwaarden: het geweld moet dienen om de openbare orde te handhaven of de criminaliteit te bestrijden, het moet noodzakelijk zijn (er mogen met andere woorden geen alternatieve middelen zijn), het moet in een redelijke verhouding staan tot het doel, en zo mogelijk moet er vooraf een waarschuwing worden gegeven. In deze context is het vuurwapengebruik voorbehouden aan ultieme situaties.
Ten slotte reglementeert de wet op de bijzondere opsporingstechnieken een reeks praktijken zoals het afluisteren van telefoons, het schaduwen en de pseudo-koop.
3.4. Bijzondere politie- en inspectiediensten
Behalve de klassieke politiediensten bestaan er ook nog een aantal bijzondere opsporings- en controlediensten. Het gaat om de Staatsveiligheid en de Militaire Inlichtingendienst (ADIV), de Bijzondere Belastingsinspectie (BBI), de zogeheten Anti-Witwascel, de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer, de Arbeidsinspectie, de Sociale Inspectie, het Vast Comité P en het Vast Comité I.
Het Comité P ziet toe op de werking van de politiediensten, onder de vleugels van het parlement. Burgers kunnen bij het comité een klacht indienen tegen een politiefunctionaris of -dienst. Het comité beschikt in dit verband over een onderzoeksdienst. Parallel hiermee ziet het Comité I toe op het functioneren van de inlichtingendiensten (Staatsveiligheid en de Militaire Inlichtingendienst ADIV), eveneens onder de vleugels van het parlement.
Zoals andere professionelen zijn politiemensen onderworpen aan een tuchtrechtelijk toezicht vanwege hun hiërarchische oversten. De Algemene Inspectie die afhangt van het commissariaat-generaal van de federale politie staat boven de andere directies en is belast met het voeren van tuchtonderzoeken tegen alle politiemensen van het Rijk.