De burgerrechtelijke procedure
1.1. Het begin van het burgerlijk proces Terwijl de strafrechtelijke procedure twee fasen telt, het onderzoek en het proces, omvat de burgerrechtelijke procedure over het algemeen maar één fase, het proces.
We hadden het al over de bevoegdheid van de burgerlijke rechtbanken: zij beslechten, door toepassing van de rechtsregels, de conflicten die ontstaan tussen particulieren en/of rechtspersonen (vennootschappen en verenigingen). Die personen moeten hun conflict dan wel aan de rechtbank voorleggen; een rechtbank kan een zaak nooit zelf (of 'ambtshalve') bij zich aanhangig maken. Geografisch gezien, is de bevoegde rechtbank doorgaans die van de woonplaats van de verweerder of die van de plaats waar de gebeurtenis zich voordoet die het conflict doet ontstaan.
Een proces begint in principe met een
dagvaarding die uitgaat van de persoon die zich in zijn rechten benadeeld voelt, de
eiser. Een dagvaarding is de akte van een gerechtsdeurwaarder waarmee de eiser zijn tegenstander oproept om op een welbepaald moment te verschijnen voor de rechter. De dagvaarding wordt aan de
verweerder betekend, met andere woorden zij wordt aangetekend ter kennis van de verweerder gebracht. De benadeelde formuleert een
vordering of
eis, zijnde de juridische aanspraak waarvan de rechter moet kennisnemen.
Eiser en verweerder kunnen ook overeenkomen om hun geschil voor de rechter te brengen bij
vrijwillige verschijning. Zo gaan ze in onderlinge overeenstemming naar de zitting, en besparen ze de dagvaardingskosten.
Voor echtscheidingen door onderlinge toestemming, geschillen tussen eigenaar en huurder en andere gevallen die expliciet in de wet genoemd zijn, kan de eiser de procedure inleiden met een
verzoekschrift, ingediend op de griffie van de bevoegde rechtbank. Die roept dan bij
gerechtsbrief de partijen op om te verschijnen op de zittingsdag die door de rechter is bepaald.
Voor elk proces moet een
rechtsdag worden bepaald door de griffie van de rechtbank, dat is het moment waarop de rechtbank de zaak zal behandelen. Doorgaans is het de eiser die de rechtsdag aanvraagt. De zaken die bij een rechtbank aanhangig zijn, worden er op de rol (zowat de agenda van de rechtbank) gezet. Alle zaken die op eenzelfde dag worden behandeld, staan op dezelfde
zittingsrol.
1.2. Het verloop van het burgerlijk procesEen burgerlijk proces, wordt gezegd, 'behoort de partijen toe'. Met andere woorden, de rechter is gebonden door de vorderingen van de partijen. Hij mag ambtshalve geen middelen (of argumenten) opwerpen die de eiser niet zelf heeft geformuleerd. Het zijn de partijen die moeten bewijzen dat ze gelijk hebben, met andere woorden de
bewijslast ligt bij hen. De rechter speelt in dit opzicht een vrij passieve rol.
De partijen schrijven hun argumenten neer in
conclusies, die soms ook 'memories' worden genoemd. Het betoog omsluit zowel de concrete feiten van het conflict als de rechtsgronden (de aangevoerde wetsbepalingen). De conclusies moeten vóór de zitting aan de andere partijen en aan de rechtbank worden voorgelegd.
De partijen kunnen in hun argumentatie soms ook een zogenaamde exceptie opwerpen, dat is een specifiek verweermiddel. Een
exceptie van onbevoegdheid bijvoorbeeld kan ertoe leiden dat de rechter de zaak doorverwijst naar een andere rechter die wel bevoegd is. Een exceptie van onwettigheid heeft als doel dat de rechter een bepaalde rechtsregel niet toepast omdat hij in strijd is met een hogere rechtsregel. De verschillende partijen kunnen altijd een wederwoord of 'repliek' formuleren op de argumenten van de tegenpartij.
Tijdens de debatten voor de rechtbank worden de conclusies dikwijls nog eens mondeling toegelicht in de vorm van
pleidooien. In de meeste gevallen kan iemand zich voor een burgerlijke rechtbank zelf verdedigen, zonder bijstand van een advocaat. De rechter kan de uitoefening van dit recht wel verbieden als de emoties te hoog zouden oplopen of als de betrokkene door gebrek aan ervaring niet fatsoenlijk en klaar zijn zaak kan bepleiten (
zie hoger Hoofdstuk 2, Afd. 1, 2).
Tijdens een proces wordt eerst de eisende partij gehoord, dan de verweerder. Eventueel komen ook nog derden aan bod: belanghebbenden, getuigen, deskundigen. De rechter kan steeds bevelen dat stukken die worden achtergehouden worden overgelegd, een deskundigenverslag of een onderzoek bijvoorbeeld. Als het Openbaar Ministerie een advies verstrekt, zoals bij de nietigverklaring van een schijnhuwelijk of bij een geschil inzake het hoederecht over de kinderen, gebeurt dit op het einde van de debatten.
Eiser en verweerder kunnen op elk moment gezamenlijk of eenzijdig beslissen om het proces te beëindigen. Het kan gaan om een
afstand van geding - wat niet belet dat de eis later opnieuw wordt ingeleid met een nieuwe gedingsinleidende akte. Of men doet
afstand van vordering - wat belet dat de afstanddoende partij later een nieuwe vordering instelt met hetzelfde voorwerp.
Partijen in een burgerlijk proces:
1.3. Het einde van het burgerlijk procesWanneer het proces ten einde loopt, sluit de rechtbank de debatten en neemt ze de zaak in beraad. Heel soms volgt de uitspraak de dag zelf, anders stelt ze het
tijdstip vast
waarop ze haar beslissing zal uitspreken of verwijst ze de uitspraak naar een latere onbepaalde datum. De uitspraak gebeurt altijd in het openbaar. In geen geval kan de rechtbank meer toekennen dan wat de eisende partij heeft gevraagd.
Burgerlijke rechtbanken spreken beslissingen uit die partijen opleggen iets te doen of iets niet te doen: ze vaardigen een verbod uit, bevelen een nauwkeurig omschreven handeling, leggen een verdeling op, en zo meer. Maakte iemand een fout of was hij nalatig, en werd iemand anders daardoor geschaad, dan zal de rechtbank of het hof hem een schadeloosstelling opleggen. Geschematiseerd komt dit neer op het toepassen van het principe: 'fout + schade + oorzakelijk verband = herstel'. Dat herstel kan een herstel in natura of de betaling van een financiële schadevergoeding zijn.